De Ontmoeting: Nel de Weerd

Ik ben beslist niet zielig.

Het is zo’n donkere, grauwe dag in november en het regent pijpestelen. Ze heeft me laten weten onderweg te zijn en ik voel me al bezwaard genoeg haar bij mij te laten komen. Laat staan om haar onnodig voor het elektrische hek te laten wachten. Dus positioneer ik mij zodanig dat ik vanuit mijn warme kamer door een gat in de heg de straat kan observeren. Daarbij hoef ik mij maar op één ding te concentreren: kleur.

Want, Nel de Weerd is kleur. In haar met bloemen versierde scootmobiel en haar kleurrijke kleding is ze een opvallende verschijning. Mensen – vrouwen èn mannen – worden blij en vrolijk als ze haar zien en spreken haar dikwijls aan.
Soms vraagt ze zich wel af waarom dat zo is. “Voordat ik in de scootmobiel belandde, gebeurde dat niet terwijl ik me altijd al kleedde zoals nu. Is het omdat ze me zielig vinden? “Ik hoop het niet, want dat ben ik beslist niet”.

Australië

Nel, geboren in Haaksbergen, verliet het ouderlijk huis en dorp toen ze achttien jaar oud was. Ze volgde een opleiding in de Z-verpleging bij Schuylenburg in Apeldoorn en vond daarna een baan in de zorg bij ‘t Bouwhuis in Enschede. Daar werkte ze met verstandelijk beperkte mensen.
In 1977 vertrok ze naar een kibboets in Israël en keerde vanwege een verlopen visum een jaar later weer noodgedwongen terug. Maar, ze kon niet meer aarden en vond het hier verschrikkelijk. Met familie in Australië pakte ze kort daarop haar rugzak om het continent te gaan verkennen. Dat beviel goed. Al snel vroeg ze zich af of ze er zou kunnen wonen en werken. Werken met verstandelijk beperkte mensen stond in Australië nog in de kinderschoenen en haar ervaring daarmee werd derhalve hoog gewaardeerd. Vanuit dat oogpunt was ze er dan ook meer dan welkom. Bovendien betaalde de ambassade in die tijd nog alle door emigranten te maken kosten.
Opgetogen vloog ze terug naar Nederland, regelde haar zaakjes hier en emigreerde enkele maanden later naar het prachtige continent. Het was 1978.

Anders

Ze is, zegt ze, altijd anders geweest dan anderen. “Ik kleedde me anders, ik dacht anders en ik deed anders. In het gezin thuis was dat al zo. Toen we klein waren, naaide mijn moeder onze kleren en wij hadden weinig in de melk te brokkelen. Zodra ik de deur uitging, allerlei mensen ontmoette en van ieder iets ‘meenam’ begon ik mijn haren te verven en kleurrijke kleding te dragen. Zo wist ik ook al heel jong dat ik nooit wilde trouwen.

In Australië ontmoette ik Lance. We kregen een relatie, maar hebben nooit samen gewoond. Dat wilden we beiden niet. Ik wilde echter wèl een kind. Daar ben ik eerlijk over geweest. Een kind, dat ik zelf en alleen wilde opvoeden. Lance had daar geen problemen mee”.
Maar toen de kleine Nicholas geboren was, vond ze dat hij moest opgroeien met familie. Haar Nederlandse familie wel te verstaan.
En niet met zijn vader, vraag ik enigszins verbaasd. “Nee”, klinkt het resoluut. Als ik haar vraag waarom niet, blijft ze mij een antwoord schuldig. “Daar had ik mijn redenen voor”, is alles wat ze erover kwijt wil.

Terug naar Nederland

In 1981 stapt ze met haar baby op het vliegtuig terug naar Nederland. Toen Nic drie was, zag ze kans weer te gaan werken. Dat lukte bij haar oude werkgever in Enschede, maar niet voor lang. “Daar waren ze toentertijd totaal niet ingesteld op eenouder-gezinnen. Werd ik ‘s avonds laat gebeld dat ik de volgende morgen om zeven uur moest werken. Gelukkig kon ik regelmatig terugvallen op mijn ouders, maar het was ideaal noch houdbaar.
Dus nam ze weer ontslag, deed vervolgens vijf jaar lang van alles en nog wat tot ze – toen Nic acht was – een baan kreeg op Het Wiedenbroek.
En daar zat ze op haar plek. Wonen en werken in Haaksbergen, familie in de buurt en frequent contact met ‘haar man’ in Australië. Ze had een baan, collega’s, een huis en een kind en het leven was goed.

Tumor

En toen werd het 2010. Inmiddels 57 jaar oud en – na 22 jaar – nog altijd werkzaam op Het Wiedenbroek, gingen er alarmbellen af. Ze begon meer en meer dingen te vergeten. “Ik dacht dat ik dement aan het worden was”.
Haar toenmalige teamleider gaf haar een deadline: ‘Je functioneert niet meer. Je krijgt nog drie maanden. Als er niets verandert, volgt ontslag’ klonk het onomwonden.
Ze ging naar de huisarts die haar direct verzekerde dat dementie niet aan de orde was. Hij stuurde haar door naar de neuroloog. Die stelde door middel van een scan vast dat ze een flinke tumor en heel veel vocht in haar hoofd had. De tumor was weliswaar niet kwaadaardig, maar zat – dichtbij de hersenstam – wel op een nare plek.
Nadat een operatie in Enschede mislukte, wilde ze een second opinion en ging daarvoor naar Maastricht. Inmiddels broodmager, had ze het geluk dat een chirurg aldaar het aandurfde een nieuwe poging te wagen. Met succes. De tumor werd in 2011 volledig verwijderd. In 2012 volgde in Tilburg een twee uur lange bestraling volgens de Gamma-Knife methode.

Afgekeurd

Na de diagnose werd ze direct afgekeurd. Ze kon niet meer op haar benen staan en belandde voor interne revalidatie in Het Wiedenbroek. En daar zat ze dus – weliswaar op een andere afdeling – in het zelfde gebouw als de mensen voor wie ze gezorgd had en degenen met wie ze had samen gewerkt. De bewoners hadden het er heel moeilijk mee en vonden haar zielig.
Dat gold ook voor enkele collega’s en iemand van de technische dienst met wie ze altijd leuk contact had. Hij liep nu met een grote boog om haar heen. Ze kreeg dus niet eens de kans om hem er op aan te spreken. Toch was dat precies wat zijn vrouw – werkzaam onder het zelfde dak – haar adviseerde. Ze nam de raad ter harte en toen ze hem weer zag, riep ze: “Hé, ik ben er nog hoor”. “Oh ja, gelukkig”, klonk het terwijl hij schoorvoetend in haar richting bewoog. “Je ziet er zo slecht uit”. Daarmee was het ijs gebroken, maar daar had ze uiteindelijk wel zelf de aanzet toe gegeven.
Te zwak voor een scootmobiel belandde ze eerst in een rolstoel en duwde iemand haar indien nodig voort. Daar heeft ze slechte herinneringen aan over gehouden. Ze had het al ervaren als ze zelf met rolstoel-bewoners door het dorp liep. “Degene die duwt wordt aangesproken en de totaal genegeerde persoon in de stoel in het hokje ‘kierewiet’ geschaard. Een vrouw in de rij voor de kassa bij Albert Heijn verwoordde het een keer perfect. Ik diende haar van repliek nadat ze een vervelende opmerking maakte. Wijzend op haar hoofd reageerde ze ‘oh, dus hier zit het nog wel goed?’

Paradijsvogel

En terwijl ze midden in haar revalidatie-proces zat, nam haar leven opnieuw een wending. Een prachtige deze keer, want ze werd totaal verliefd. Ze ontmoette de – als gevolg van een ernstige ziekte – eveneens revaliderende Hans met wie ze een relatie kreeg. Het eerste wat ze van hem te horen kreeg, was dat hij veertig jaar getrouwd was en nog niet zo lang gescheiden. Het was een totaal andere man dan Lance. Ze hadden vier jaar lang een fantastische relatie met heel veel humor. Hij noemde haar steevast ‘Paradijsvogel’. Hans schilderde prachtig en veel van zijn werken hangen nog altijd in haar huis.
Ondertussen was Nic – die haar mantelzorger was geworden – eind 2013 naar Australië geëmigreerd. Precies een jaar later, stapte ze voor de eerste keer na de diagnose weer in het vliegtuig op weg naar haar zoon en man. Een emotioneel moment dat in het vliegtuig culmineerde in een stevige huilbui.
Tijdens haar verblijf belde ze elke dag met Hans tot ze op ‘n dag de schokkende boodschap kreeg dat hij was overleden. Lance heeft haar toen liefdevol opgevangen en dat heeft hun band weer geïntensiveerd. Ze prijst zichzelf dan ook gelukkig twee zo bijzondere en grote liefdes te hebben (gehad) in haar leven.

Kleindochter

Alles wat haar lief is, bevindt zich dus in Australië. Haar zoon – inmiddels getrouwd met een Iraanse -, hun dochter van vier en Lance. Nic met zijn gezin in het noorden, Lance in het zuiden. En toch blijft ze hier. Ook daarin wijkt ze af van menig oma en opa alhoewel ze direct rechtzet het ook verschrikkelijk te vinden dat haar – enigste – kleinkind zo ver weg woont. Maar, omdat ze er zelf heeft gewoond, begrijpt ze het. “Omdat hij mijn alles is en ik heel veel van hem houd, wil ik dat hij gelukkig is. Maar wat moet ik daar nu, vraagt ze zich hardop af. Het continent is zó groot. Nic woont in Melbourne en Lance in het zuiden. Dan praat je wel over een afstand van 3200 kilometer. Ik kan geen auto rijden. Hier heb ik een scootmobiel. Ik kan zelf overal naar toe. Heb mijn roots hier, de neuroloog, scans, de huisarts, een fijn huis”.
Allemaal drogredenen, ze geeft het grif toe. “Maar, het is nu ook anders. Toen ik in Australië woonde, belde ik twee keer per jaar naar huis. Mobiele telefoons, internet, emails dat bestond allemaal nog niet. Bellen was peperduur dus dat beperkte ik tot de verjaardagen van mijn ouders. Nu heb ik vrijwel elke dag contact met Nic en kleindochter Serena. Soms denk ik wel eens dat ik meer van haar weet dan andere opa’s en oma’s van hún kleinkinderen. Ik heb duizenden foto’s van haar. Van haar nieuwe winterjas, van haar eerste zwemles, een dagje naar zee. Ze kent mij ook heel goed. Dus die afstand is er niet meer. Ook met Lance heb ik vrijwel dagelijks en zeer diepgaand contact”.
Neemt niet weg dat ze het fysieke contact zeker mist. Maar, ze is zelf een paar keer naar Australië gegaan en Lance komt twee keer per jaar hier.

Grand Mal

Toen ze er afgelopen zomer weer was, kreeg ze – waar ze van meet af aan bang voor was – een Grand Mal. Lance was erbij en is er heel erg van geschrokken. Ze belandde voor één nacht in een ziekenhuis in Melbourne. Sindsdien heeft ze haar evenwicht nog niet terug, maar vecht ervoor om haar conditie te herstellen. Ze zwemt, krijgt neurotherapie, loopt en gaat binnenkort naar een ostheopaat.

“Lance maakt zich sindsdien zorgen en zei laatst: ‘woonde je maar wat dichterbij’. Hij was bang dat ik dood ging en ik heb het gevoel dat er bij hem iets klikte. Hij beseft dat het afgelopen had kunnen zijn. Het wederzijds gemis is sindsdien zeer groot en het contact dat we hebben heel diep en innig. Volgende maand komt hij hier”.

Socialer

“Ik ben veranderd”, zegt ze. “Socialer geworden met meer interesse in andere mensen. Ik werkte 32 uur per week, ging dacht ik leuk om met collega’s, had Nic en ‘s avonds was ik blij thuis te zijn en niks te hoeven. Veel sociaal contact had ik dus niet”.
Door de ziekte werd dat nog erger. Ze is veel zogenaamde vrienden verloren. Ze was zelf ook vaak en graag thuis dus dat resulteerde gemakkelijk in een vicieuze cirkel. En Corona deed nog een extra duit in het zakje.
“Ik heb me niet laten vaccineren, maar stond daarin in mijn omgeving helemaal alleen. In mijn familie en bij mijn vrienden. Zelfs Nic probeerde mij te overreden. Mensen lieten me links liggen, want ik was gevaarlijk en gestoord en ik mocht niet meer bij ze binnen komen, mocht alleen nog buiten met ze praten. M’n oudste zus heb ik daarom al vier jaar niet gezien. Ze vinden mij raar. Ik op mijn beurt vind hen hartstikke gek. Vooral door het feit dat mensen zich zo gemakkelijk lieten vaccineren ben ik zó teleurgesteld geraakt in de Nederlanders.
Maar, ik raakte zodoende wel nóg meer in een isolement en kreeg daardoor vanzelf behoefte aan mensen en het liefst gelijkgestemden. En dus was ik heel blij toen een vriendin mij liet weten dat er in Haaksbergen een whatsapp groep was opgezet voor anders denkenden. Ik heb direct contact gezocht en daar prachtige contacten gekregen met hele fijne mensen. Inmiddels heb ik een beter en dieper contact met hen dan ik ooit daarvoor met vrienden heb gehad. Wat een rijkdom”.

Fijne mensen

“Resumerend is Nic duidelijk het belangrijkste in mijn leven. Maar, door mijn ziekte heb ik geleerd hoe waardevol en belangrijk het is om fijne mensen met diepgaande contacten nabij te hebben. Af en toe naar Australië om mijn geliefden te zien en elke dag appen is voldoende voor mij. Ik kan natuurlijk ook niet meer zo heel veel. Ben snel moe en overprikkeld en dan is het heerlijk om alleen te zijn en niets te hoeven. En precies daarom ook is het fijn om naar Australië te gaan, maar ook zó fijn om weer terug naar huis te gaan.

Ik heb ontzettend veel geluk gehad. Elke morgen als ik wakker word, besef ik ‘ah, ik ben er nog’. Het is fijn dat ik nog heel veel wel kan. Was altijd al optimistisch en ben dat nog steeds. Maar, vóór mijn ziekte had ik geen flauw idee dat er in Haaksbergen zulke fijne mensen wonen. En daar ben ik ontzettend dankbaar voor. Ik heb een prachtig en rijk leven”.

Lees meer verhalen van De Ontmoeting

Volg het nieuws uit Haaksbergen

Tekst en foto: Hanneke Straten